Niet elke situatie vraagt een klassiek of verwacht antwoord. Zeker niet in een partij die ontstaan is uit het idee dat politiek ook anders kan. Wat volgt is out-of-the-box, en zo past het precies bij wat Groen kan en moet zijn: een partij die durft afwijken van de automatische reflexen van de politiek. Niet anders doen om het anders te doen, maar om te doen wat nodig is.
Zo geloof ik, bij wijze van voorbeeld, in een voorzitter die al bij de kandidaatstelling zegt waar die staat: ik ben de voorzitter, en ik zal niets anders zijn. Mensen zullen mijn bolletje niet kunnen kleuren in 2030. Niet omdat dat onbelangrijk is, maar omdat het precies daardoor mogelijk wordt om dit mandaat ernstig te nemen: zonder verborgen agenda, zonder persoonlijk plan, zonder bijbedoelingen.
Zo’n voorzitter maakt meteen duidelijk dat die niet op een verkiezingslijst zal staan. Dat is geen detail, maar een keuze met gevolgen. Het creëert ruimte om boven de dagelijkse politieke strijd te staan, om namens de hele partij te spreken en om knopen door te hakken zonder electorale bijbedoelingen. In een politiek landschap waar voorzitters vaak tegelijk kandidaat-minister, wannabe-BV en interne machtsfactor zijn, kan net die rolzuiverheid een onderscheidende kracht zijn.
Die helderheid hebben we ook intern nodig. Minder grijze zones, minder gemarchandeer, meer duidelijke mandaten en verwachtingen. Om vertrouwen en autonomie mogelijk te maken.
Maar de discussie over het voorzitterschap raakt aan iets groters. De echte vraag is niet wie de partij leidt, maar waartoe.
Groen is geen doel, maar een middel
Groen is ontstaan uit Agalev en is fundamenteel anders dan klassieke partijen. Dat zie je niet alleen in onze geschiedenis, maar ook in onze statuten. We werken aan politieke oplossingen voor een ecologische, solidaire en sociaal rechtvaardige samenleving. Democratie is voor ons meer dan verkiezingen: ze is participatie, experiment, mensen betrekken en mee laten beslissen.
Voor mij betekent dat dat Groen geen partij is die bestaat om zichzelf in stand te houden. Groen is een middel. Met een einddoel. En dat einddoel, hoe ruw ook samengevat, is helder: het klimaat redden. Niet elk lid hoeft het daar zo radicaal mee eens te zijn, en dat is oké. Maar zonder die bestaansreden wordt Groen gewoon een van de vele partijen die “ook iets vinden”.
Vandaag zijn wij wél nog duidelijk eigenaar van het thema klimaat en natuur. Als je mensen vraagt met wie ze dat associëren, zeggen ze Groen. Dat is een kracht. Maar het heeft ook een keerzijde gehad: andere partijen zijn dat thema steeds minder centraal gaan zetten. Je ziet het overal: het klimaatverhaal wordt afgezwakt, uitgesteld, geframed als onhaalbaar of onbetaalbaar, of zelfs actief bestreden.
Dat plaatst ons voor een ongemakkelijke waarheid.
Zetels alleen redden het klimaat niet
Om het klimaat te redden, volstaan parlementaire zetels niet. Je moet aan de knoppen zitten. En om aan die knoppen te zitten, moet je groot zijn. Veel groter dan vandaag. Groter zelfs dan in 2019.
Hoe urgenter het klimaatprobleem wordt, hoe groter de groene beweging moet zijn. Dat is geen communicatietruc, maar een politieke realiteit. Als wij er niet in slagen om te groeien, laten we het speelveld over aan partijen die, precies door ons bestaann het omgekeerde zeggen van wat nodig is.
Dat groeien lukt niet door steeds meer standpunten toe te voegen of door het morele gelijk harder te claimen. Integendeel. Elk extra expliciet standpunt dat we in de etalage zetten, hoe logisch het ook past binnen ons ideologisch en/of persoonlijk kader, kan twee effecten hebben: het kan mensen aantrekken, maar het kan evengoed voor anderen een excuus zijn om af te haken. En wie zegt “dan hebben zij maar ongelijk”, eindigt met gelijk te hebben in een steeds kleinere kamer.
Dat is geen pleidooi voor inhoudelijke leegte. Het is een pleidooi voor keuzes. Voor een grote tent, met duidelijke poten, maar ook ruimte voor verschil.
Minder stapelen, meer overtuigen
Het klimaatverhaal kan veel aspecten omvatten. Maar de afgelopen jaren werd de kar steeds voller geladen. En hoewel ik persoonlijk volledig achter onze beleidslijnen sta (bijvoorbeeld over gender, migratie of internationale conflicten) moeten we eerlijk durven nadenken over wat we centraal zetten, en wat niet.
Je overtuigt mensen niet door alles tegelijk te willen vertellen. Je overtuigt mensen door te kiezen, door te luisteren en door je verhaal menselijk te maken. Je moet, heel concreet, mijn moeder kunnen overtuigen. En dat doe je niet met extra argumenten, maar door te bepalen wat je vertelt en hoe je dat vertelt.
Een partij die vooral zendt, verliest. Een partij die luistert, kan groeien.
Dat luisteren betekent ook: kijken naar waar het moeilijk ging. Heel wat lokale groepen, kandidaten en mandatarissen scoorden de voorbije verkiezingen slechter. Zij voelen vaak scherper dan wie ook waar de tegenwind zit. Die inzichten ontstaan niet vanzelf op de bureaus van studiediensten. Ze leven in dorpsstraten, ook in regio’s waar Groen het lastig heeft, zoals de Kempen of Limburg. Als we daar niet naar luisteren, blijven we praten tegen onszelf.
Van gelijk hebben naar toekomst maken
Groen heeft inhoudelijk gelijk. Dat zeggen niet wij, dat zeggen wetenschappelijke rapporten, experten en elke ernstige analyse van waar we naartoe gaan. Maar politiek is geen examen waarin gelijk automatisch punten oplevert. Politiek gaat over mensen meenemen in een richting waar ze zich nog niet vanzelf bevinden.
Onze uitdaging zit dus in verbeelding versterken. We moeten opnieuw durven schetsen waar we naartoe willen. Niet als checklist van maatregelen, maar als een gedeeld toekomstbeeld. Hoe ziet een samenleving eruit in 2036 als we vandaag de juiste keuzes maken? Hoe wonen we, werken we, zorgen we voor elkaar? Wat winnen mensen daarbij, concreet, in hun dagelijks leven? Een oefening die niet mag vervallen in wolligheid of top-down-aanpak, maar een oefening die mensen vanaf het beginpunt meeneemt zowel in proces als product.
Dat toekomstbeeld moet vooruitgang uitstralen. Niet: dit moet omdat het niet anders kan, maar: dit is beter, vrijer, gezonder en eerlijker. Mensen moeten voelen dat ze geen last dragen voor het klimaat, maar dat ze deel worden van iets vooruitstrevends. Van een project dat de wereld beter achterlaat dan we haar gekregen hebben.
Dat vraagt een andere houding dan vertrekken vanuit rapporten alleen. Niet omdat die fout zijn, maar omdat ze niet volstaan. We moeten meer spreken vanuit mensen, vanuit hun zorgen en hun verlangens, en die verbinden met waar we als samenleving naartoe willen. Niet om ons gelijk te verstoppen, maar om het leefbaar en aantrekkelijk te maken.
Vooruitgang is geen straf. Progressief beleid is geen offer zonder beloning. Het is een belofte: dat de volgende generatie meer kansen, meer vrijheid en meer zekerheid krijgt dan de vorige. Als Groen dat opnieuw scherp en herkenbaar durft neerzetten, hoeven we minder te overtuigen met argumenten, en kunnen we meer mobiliseren met perspectief.
Dat soort keuzes vraagt een partij die durft te differentiëren tussen wat essentieel is en wat afgeleid is. En het vraagt een voorzitter die dat gesprek kan dragen, niet als BV of kandidaat, maar als hoeder van het geheel.
Spreken tot mensen, niet tot commentatoren
Er wordt vandaag over populisme, meestal als waarschuwing. Alsof begrijpelijke taal, herkenbare voorbeelden of emotionele aansluiting automatisch verdacht zijn. Dat is een misvatting.
Politiek die mensen wil meenemen, moet eerst begrepen worden. Niet door specialisten, maar door wie niet uit zichzelf de politiek volgt. Wanneer ik zeg dat we mijn moeder moeten kunnen aanspreken, en niet Carl Devos, dan gaat het niet over minachting voor expertise. Het gaat over de volgorde van wie je voor ogen hebt wanneer je spreekt.
Politiek die alleen begrepen wordt door wie ze al volgt, wint misschien wel het debat, maar geen verkiezingen.
Een voorzitter moet niet elk debat voeren, maar waken over richting, taal en doelgroep. Dat is geen zwakte. Dat is leiderschap.
Voorzitter ben je ook intern
Maar het voorzitterschap is niet alleen een externe rol. Het is minstens evenzeer een interne opdracht. Een voorzitter moet niet alleen spreken namens de partij, maar ook voortdurend luisteren naar haar.
Concreet zie ik een voorzitter die elke maand vijftig willekeurige leden uitnodigt voor een koffie. Niet als inspraakshow, niet om standpunten af te toetsen, maar om te horen wat mensen drijft, wat hen frustreert en waarom ze lid zijn gebleven. Of waarom ze twijfelen. Geen representatief staal, geen perfecte doorsnede, wel echte gesprekken.
Ik zie ook een voorzitter die maandelijks aan lokale mandatarissen vraagt: waar zijn jullie deze maand trots op? Niet: wat liep er fout, niet: wat haalde de pers, maar wat werkte, waar werd vooruitgang geboekt, groot of klein. En die daar niet bij blijft stilstaan, maar ook op bezoek gaat: plaatsbezoeken, gesprekken, inspiratie opdoen bij mensen die het verschil maken in hun buurt.
Diezelfde voorzitter moet ook tijd maken voor bezoeken aan inspirerende leden. Aan plekken waar zij werken, zorgen, ondernemen of zich als vrijwilliger inzetten. Niet om lintjes te knippen, maar om te begrijpen waar onze ideeën landen, waar ze schuren en waar ze kracht krijgen. Dat is geen folklore. Dat is voeling houden met de werkelijkheid waarin onze politiek moet werken.
En ja, daar mag ook expliciet een what’s in it for me in zitten. Lid worden van Groen mag meer zijn dan instemmen met een programma of af en toe een affiche plakken. Een partij mag ook iets teruggeven: vorming, ontmoeting, zelfvertrouwen, het gevoel dat je groeit als mens doordat je deel uitmaakt van dit collectief. Waarom zou je anders lid worden? Alleen stemmen kan ook.
Net daar ligt, voor mij, de meerwaarde van een partij. Niet in perfecte schema’s of eindeloze interne documenten, maar in mensen die sterker worden door samen politiek te maken. Een voorzitter die dat ernstig neemt, bouwt geen machine, maar een beweging.
Groter worden, of eerlijk zijn
En daar komen we bij de kern. Groen moet groter worden en wegen. Of we moeten eerlijk durven reflecteren over onze rol. Of het nuttiger is om zelf aan de knoppen te zitten, of om vooral een morele factor te zijn die andere partijen richting het noodzakelijke duwt.
Die vraag is ongemakkelijk, maar onvermijdelijk. Ze vraagt geen slogans, maar richting. Geen profilering, maar een heldere keuze. En precies daarom geloof ik in een voorzitter die boven de korte termijn staat, die de partij organiseert rond haar bestaansreden, en die durft kiezen om te kunnen groeien.
Een voorzitter die kiest voor de partij.
Niet omdat het makkelijk is. Maar omdat het nodig is. Héél nodig.